EEN FRESH START VOOR OUDERE FAILLISSEMENTEN:

MINDER EVIDENT DAN HET LIJKT.

Indien de gefailleerde een natuurlijke persoon is, zal hij ten aanzien van de schuldeisers worden bevrijd van de restschulden. 

Voorheen sprak men van verschoonbaarheid. Sinds de invoering van Boek XX van het Wetboek Economisch Recht per 1 mei 2018 heet dit thans kwijtschelding.

 

Op heden is de kwijtschelding een quasi automatisme op voorwaarde de gefailleerde het tijdig aanvraagt en op voorwaarde hij geen kennelijke grove fouten heeft gegaan.

 

Vroeger, toen in 1997 het begrip verschoonbaarheid werd ingevoerd, was dit anders. De verschoonbaarheid werd nog te veel als een gunst aanzien doch met de jaren leefde het idee van een ‘fresh start’. De gefailleerde natuurlijke persoon diende een nieuwe activiteit te kunnen opstarten na de sluiting van het faillissement waarbij hij niet meer mocht verontrust worden door de schuldeisers van zijn eerder faillissement die niet geheel voldaan waren. Daarom rekende hij erop om verschoonbaar te worden verklaard.

 

Met de wetwijziging van 20 juli 2005 werd ook de mogelijkheid geboden om vervroegd verschoonbaar te worden verklaard. Zonder de sluiting van het faillissement af te wachten en van zodra de termijn van zes maanden is verstreken, kan de gefailleerde de rechtbank vragen om zijn verschoonbaarheid (thans kwijtschelding) vragen.

 

De invoering van deze mogelijkheid was ingegeven om de discriminatie weg te werken die er ontstond tussen een faillissement dat snel kon worden afgesloten (en waar dus de gefailleerde snel terug aan de slag kon zonder dat er  beslag zou volgen op zijn loon) en een complex faillissement waarvan de afhandeling mogelijk lange tijd aansleepte met het risico dat de gefailleerde van de arbeidsmarkt verdween en in een alternatief (lees zwart) circuit belandde.

 

In het voorliggend arrest waarvan het faillissement dateert van 2013 en nog steeds niet is afgesloten, had gefailleerde de vervroegde verschoonbaarheid bekomen in 2016. 

 

Gefailleerde bouwde haar leven terug op en kocht een huis samen met haar toenmalige partner.

 

De curatoren, net zoals de rechtbank, waren van oordeel dat de gefailleerde, te rekenen vanaf de dag van het vonnis van faillietverklaring,  van rechtswege het beheer over al haar goederen, zelfs over de goederen (en inkomsten) die zij mocht verkrijgen terwijl zij zich in staat van faillissement bevindt, verliest.

 

De rechtbank voelde zich gesterkt door een uitspraak door het Hof van Cassatie.

 

Gefailleerde tekende hoger beroep aan. Het hof van beroep volgde de visie verdedigd door gefailleerde die stelde dat de doelstelling om terug deel te nemen aan het economisch leven enkel kan gerealiseerd worden wanneer de inkomsten die gefailleerde verwerft na de vervroegde verschoonbaarverklaring door haar worden behouden zonder dat deze door de curator in beslag kunnen worden genomen.

 

Dit is een duidelijke breuk met de cassatierechtspraak die beperkt werd tot een opengevallen erfenis, waarvan kan gesteld worden dat die goederen niet voorspruiten uit een nieuwe activiteit en dus bv die erfenis, zelfs als die ontstaat na de vervroegde verschoonbaarverklaring, de curator en dus de schuldeisers toekomt.

 

Het hof komt dan ook tot het besluit dat de vervroegde verschoonbaarverklaring zo dient te worden geïnterpreteerd dat de inkomsten en goederen verworven bij de uitoefening van een nieuwe activiteit na de vervoegde verschoonbaarverklaring niet meer in de boedel vallen en door de schuldeisers van het faillissement niet meer kunnen worden aangesproken ter delging van schulden.